De kinderen zitten in een kring. Eén kind loopt buiten om de
kring heen. Hij of zij heeft een zakdoekje in de hand. De
kinderen in de kring zingen het liedje "zakdoek leggen
niemand zeggen". De kinderen hebben hun hoofd
voorovergebogen, zodat ze niet kunnen zien waar de
zakdoeklegger is. Aan het eind van het lied legt het kind
het voorwerp achter een kind dat in de kring zit.

